Een kleine geschiedenis van het ontbijt

De dag beginnen met ontbijt: de kans is groot dat ook jij dat doet. Hebben we niet allemaal geleerd dat het ontbijt de belangrijkste maaltijd van de dag is? Maar in het licht van de geschiedenis is ontbijten nog helemaal niet zo lang een dagelijkse routine.

De Egyptenaren waren de eersten om brood te bakken, rond 4000 voor Christus. Dat was rond, plat brood. Maar het is niet duidelijk of ze met die broden ontbeten. De oude Grieken hadden een woord voor de maaltijd meteen na het ochtendgloren: akratismos, een licht maal van een pannenkoek met sesam en honing. Het moest werklieden en soldaten in staat stellen hun dagtaak te vervullen. En ook de Romeinen ontbeten, met brood, kaas, noten en rozijnen. Maar toen de Romeinen werden verdreven uit West-Europa, namen ze hun ontbijtgewoonten mee.

In de middeleeuwen aten de meeste Europeanen maar twee maaltijden per dag. ’s Ochtends vroeg eten werd een tijdlang zelfs als zonde beschouwd. Het Engelse woord ‘breakfast’ betekent letterlijk ‘het vasten breken’. Wie dat te vroeg – voor de ochtendmis – deed, bezondigde zich aan gulzigheid en toonde zich zwak. Of hij was arm want kon zich met twee maaltijden niet genoeg voeden. Niet ontbijten was ook een kwestie van sociale status. Kinderen, zieken en ouderlingen mochten wel ontbijten, handarbeiders en reizigers ook.

Vanaf de zestiende eeuw gingen wetenschappelijke stemmen op om tóch te ontbijten. Het zou goed voor lijf en leden zijn om de dag te starten met een stevig maal, bij voorkeur met vlees en anders met eieren. Het leek wel alsof de adviezen voorzichtig werden gevolgd want er werd vanaf dan meer ontbeten. Wat zonder twijfel ook – en allicht zelfs meer –  invloed had dan de schriftelijke adviezen, was dat steeds meer mensen in dienst kwamen te staan van een werkgever, geen baas meer waren over hun tijd en met een ontbijt achter de kiezen langer konden werken.

Het is geen toeval dat aan het einde van de achttiende eeuw, samen met de Industriële Revolutie, ontbijten echt ingang vond. Geen enkele arbeider kon een hele voormiddag zwaar werk verrichten zonder ontbijt. Dat betekende niet dat dat ontbijt sowieso evenwichtig was. Of zelfs maar toereikend: voor vlees en zoets hadden arbeiders geen geld. Maar een snee brood of een kom griesmeelpap was beter dan niets. Wie het zich kon permitteren, kon ontbijten met chocolade, luchtige koeken en zoete broodjes. Negentiende-eeuwse banketbakkers specialiseerden zich maar wat graag. Met patisserie was meer geld te verdienen dan met brood.  Een kop koffie bij het ontbijt was er vanaf de negentiende eeuw wel voor arm en rijk, al was hij niet voor iedereen even sterk. In tijden van crisis bood cichorei een uitweg. Al dan niet met cafeïne: koffie was ongetwijfeld beter voor de werklust dan de wijn die de Grieken en Romeinen bij het ontbijt dronken.

De twintigste eeuw bracht de doorbraak van ontbijtgranen en van oploskoffie: alles om snel te ontbijten. Melk en heet water, ontbijten en aan de slag. Maar dat was niet het ontbijt dat werd bedoeld met ‘de belangrijkste maaltijd van de dag’. Met name ontbijtgranen worden vandaag verguisd wegens te gesuikerd. Ontbijt is maar beter gezond, luidt de boodschap. En dat ontbijt mag weer tijd kosten, zeker in het weekend,: met vers sinaasappelsap, spek en eieren, zoet en zout beleg, brood, havermout, … Zelfs koffie zou volgens kenners lekkerder zijn als het ‘slow coffee’ is.

 

Greet Draye – Centrum Agrarische Geschiedenis, Leuven

www.hetvirtueleland.be